Hoe nu verder? Hoe nu verder?

lezen: 1 Koningen 19,1-18

het suizen van een zachte koelte

"ik alleen ben overgebleven"

"Ik zal zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben"

HOE NU VERDER?

vakantietijd

In juli en augustus gaan veel mensen op vakantie. De heerlijkste bestemmingen zijn gekozen. We laten de crisis even uit onze gedachten - de sores van alledag - en zoeken ontspanning in de hoop die ook te kunnen vinden.

In alle ernst heb ik eens een collega over de veertig dagen en nachten van de profeet Elia in de woestijn en zijn verblijf op de berg Horeb horen zeggen: "Dat zou u ook wel willen, hè, veertig dagen vakantie?" Wie mij kent begrijpt dat ik met deze uitleg niet erg blij verrast was. Wat een onzin! Alsof dat ‘vakantie' was. De profeet verlangt te sterven en voelt zich totaal verlaten. Hij weet niet hoe het verder moet. Nee, het was geen vakantie.

"ik alleen ben overgebleven"

Collega Haasnoot is naar Rijnsburg, collega Breure hoopt naar Heerjansdam te gaan. Voor hen ben ik blij; ik wens elk Gods zegen op de nieuwe plaats. Mij bekruipt echter een heel ander gevoel.

Hebt u weleens gekampeerd op een veld waar mensen met wie u het goed kon vinden verder trokken? Het maakt je onrustig en ik vraag mij tijdens zo'n vakantiemoment af of het gezin en ik niet eens verder moeten.

Dat gevoel alleen op het veld achter te blijven overvalt mij nu ook bij het vertrek van de beide collega's. Zo kwam ik op deze tekst. De parallel gaat uiteraard niet op. Deze meditatie zal dus nooit het certificaat ‘Schriftuitleg' kunnen hebben, daarvoor is het veel te associatief. Toch laat het mij niet los. Eerst met z'n drieën voor de drie gemeenten - elk behorende bij de Protestantse Kerk in Nederland - nu ben ik ‘alleen ben overgebleven'. Althans als predikant. Hoe moet het nu verder? Dat was - zij het in een veel diepere zin - ook de vraag van de profeet. Hij was in allerlei opzichten uitgeput. Daar gaat wat mij betreft gelukkig de parallel niet op.

"Ik zal zevenduizend overlaten"

Kijk, dat is iets waar Elia in zijn wanhoop niet aan gedacht had. Hij meende oprecht er alleen voor te staan. Er zijn door de Here God zevenduizend overgelaten. Dat zijn natuurlijk Bijbelse vertelgetallen. Zeven is een heilig getal van de volheid Gods, zoals er zeven scheppingsdagen zijn die wekelijks terugkeren. Duizend geeft de overvloed, overvloed Gods aan. Dit woord geldt de profeet, maar het geldt ook de gemeente in haar profetische gestalte. We maken ons zorgen over reorganisaties die onafwendbaar lijken. Die zorgen zijn begrijpelijk en ook niet onzinnig. Het is echt de vraag: Hoe nu verder? Geld voor volledige vervulling van de predikantsplaatsen is er misschien niet. Dat zijn organisatorische kwesties die in een meditatie geen plaats hoeven te hebben.

bemoediging

Waar het in de meditatie, ook voor ieder persoonlijk, steeds over mag gaan is hoe God spreekt tot zijn knecht. De knecht zegt ‘ik' en benadrukt de eenzaamheid, het glas dat zeker half leeg is. Voor zijn beleving staart hij naar de bodem en voorziet een einde, ook voor hem persoonlijk.

De Here God zegt ook "Ik", Hij benadrukt echter dat er een weg mag worden gevonden. Dat die weg ook vindbaar zal blijken te zijn. De gemeente heeft ook een profetische taak. Ik bedoel dit; de gemeente heeft, zeker met Pinksteren in de rug, een Woord voor de wereld. Christus leeft en Hij is Here! Hallelujah! Vanuit het besef, noem het oprecht geloof, dat zij er niet alleen voor staat in deze wereld, heeft zij een bemoedigend Woord. Dat ten diepste geen mens er alleen voor hoeft te staan. Daarom stelt de gemeente Christus centraal. Hij bepaalt de gestalte van de gemeente, hoe zij vorm moet krijgen om Hem eer te geven. Hij bepaalt haar gehalte, dat wat de gemeente zegt in de wereld ook iets zal blijken te zijn waar mensen echt iets aan hebben.

het suizen van een zachte koelte

Tja, wat heeft de gemeente te zeggen. Zal zij weten ‘hoe het verder moet', in een tijd van crisis, terwijl haar eigen banken leeg lijken te lopen en haar preekstoelen niet of half bezet zijn? Elia mag zijn nood eerlijk uitspreken. Er wordt tot tweemaal toe naar gevraagd. Hij mag klagen! Zeg dus niet zomaar ‘ik mag niet klagen'. De profeet uit zijn klacht ook tweemaal. Maar hij ontvangt iets bijzonders. God toont zich in het voorbijgaan. Er zijn storm, aardbeving en vuur. Een heel spel van de elementen waarbij het er woest aan toegaat. Daarna de ‘zachte koelte'. Lastig te vertalen begrip, maar juist daarin toont God zijn heerlijkheid en juist daarin klinkt zijn aanwezigheid door. Dat is Pinksteren; niet het daverende geweld, maar de kracht van God die in stilte spreekt en zo het hart van mensen raakt. Zo wordt die Elia in zijn eenzaamheid getroost. Ziet dat hij niet eenzaam is. Welnee, er staat een grote kring om hem heen. In die kracht kan hij verder. Zo zal ook de gemeente in haar verscheidenheid (geen gebrokenheid, dat heb ik tijdens de Heilig Avondmaal viering in de Gereformeerde kerk wel gemerkt) ook in Geldermalsen voort mogen gaan. Mag de gemeente in haar rijkdom van de drie gemeenten zoals we die hier kennen een weg vinden. Door de liefde van Christus. Die Weg gaan we hopelijk in alle rust en eenvoud, gedreven door die zachte stilte.

Gerard J. Krol

terug